Niet-kleincellig carcinoom is een algemene term die artsen gebruiken om een grote groep kankers te beschrijven die bestaan uit grote, abnormaal uitziende cellen. Meestal verwijst deze term naar kankers die in de longen ontstaan, hoewel hij ook gebruikt kan worden voor kankers die in andere delen van het lichaam beginnen.
Ongeveer 85% van alle longkankers valt in deze groep. Vergeleken met een ander type longkanker, genaamd kleincellig carcinoomNiet-kleincellig carcinoom groeit en verspreidt zich meestal langzamer. Dit onderscheid is erg belangrijk omdat de behandelingsopties en prognose verschillen, afhankelijk van of de kanker kleincellig of niet-kleincellig is.
Artsen en pathologen categoriseren niet-kleincellige carcinomen in verschillende hoofdtypen. Deze zijn gebaseerd op het type cel waarin de kanker is ontstaan en op het uiterlijk ervan onder de microscoop.
adenocarcinoom is de meest voorkomende vorm van longkanker. Het begint in kliervormende cellen, meestal te vinden in de alveoli, de kleine luchtzakjes in de longen waar zuurstof het bloed binnenkomt en koolstofdioxide wordt verwijderd. Adenocarcinoom komt vooral veel voor bij mensen die nooit gerookt hebben.
Plaveiselcelcarcinoom Het begint in plaveiselcellen, dunne, platte cellen die de binnenkant van de luchtwegen in de longen bekleden. Deze vorm van longkanker is nauw verbonden met roken en wordt vaak aangetroffen in de centrale delen van de longen, dicht bij de grotere luchtwegen.
Grootcellig carcinoom is de naam voor longkankers die niet netjes in de andere categorieën passen. Onder de microscoop zien de cellen er ongewoon groot en abnormaal uit. Grootcellig carcinoom groeit en verspreidt zich doorgaans sneller dan adenocarcinoom of plaveiselcelcarcinoom, wat de behandeling ervan moeilijker kan maken.
In de meeste gevallen wordt de eerste diagnose van niet-kleincellig carcinoom gesteld na een biopsieHet monster kan worden afgenomen tijdens een bronchoscopie (een dun buisje met een camera dat in de luchtwegen kijkt), met een fijne naald door de borstwand of tijdens een operatie.
A patholoog Onderzoekt het weefsel onder de microscoop om te bepalen of de tumor een niet-kleincellig carcinoom is en, indien mogelijk, om het subtype te identificeren. Omdat de hoeveelheid weefsel in een biopt beperkt is, kan de patholoog mogelijk alleen vaststellen dat de tumor een niet-kleincellig carcinoom is, zonder het exacte subtype te bevestigen.
Om deze reden raden artsen vaak aan om later meer weefsel te verzamelen, bijvoorbeeld via een grotere biopsie of tijdens een operatie. Een groter weefselmonster stelt de patholoog in staat om het subtype te bevestigen, moleculaire tests uit te voeren en meer volledige informatie te verstrekken die de behandeling kan sturen.
Pathologen gebruiken vaak immunohistochemie (IHC) Om het type niet-kleincellig carcinoom te helpen bepalen. IHC is een speciale test die antilichamen gebruikt om specifieke eiwitten in de kankercellen te detecteren. Het eiwitpatroon kan helpen bij het onderscheiden van verschillende subtypen kanker.
Bijvoorbeeld:
TTF-1 en Napsin A zijn vaak positief bij adenocarcinoom.
p40 en p63 zijn markers die de diagnose plaveiselcelcarcinoom ondersteunen.
Cytokeratines (CK7 en CK20) kunnen ook helpen de oorsprong van de tumor te bepalen.
IHC is vooral nuttig wanneer het biopsiemonster erg klein is of wanneer de kankercellen er onder de microscoop ongewoon uitzien.
Moleculaire tests zoeken naar veranderingen in het DNA of de eiwitten van de kankercellen. De meest geavanceerde methode heet sequencing van de volgende generatie (NGS)Met deze test kunnen meerdere genen tegelijk worden onderzocht op mutaties of herstructureringen die de behandeling kunnen beïnvloeden.
Veel geteste genen en resultaten zijn onder meer:
EGFR-mutaties, die mogelijk reageren op medicijnen genaamd tyrosinekinaseremmers.
ALK- of ROS1-herschikkingen, die ook met specifieke, doelgerichte medicijnen behandeld kunnen worden.
KRAS-mutaties, waaronder KRAS G12C, die richting kunnen geven aan het gebruik van nieuwe, doelgerichte therapieën.
BRAF-mutaties, die kunnen reageren op gerichte behandelingen.
PD-L1-expressie, die helpt voorspellen of immunotherapie effectief zal zijn.
Deze resultaten zijn van groot belang omdat ze artsen helpen bij het kiezen van de behandeling die het meest effectief is voor de kanker van elke patiënt.
Welk type niet-kleincellig carcinoom heb ik (adenocarcinoom, plaveiselcelcarcinoom of grootcellig carcinoom)?
Heb ik een nieuwe biopsie of operatie nodig om meer weefsel voor onderzoek te verkrijgen?
In welk stadium bevindt mijn kanker zich en wat betekent dat voor de behandeling?
Zijn er moleculaire tests op mijn tumor uitgevoerd? Zo ja, wat waren de resultaten?
Welke behandelingsopties zijn er voor mijn specifieke type en stadium van kanker?