
De kern (meervoud: celkern) is een kleine, gespecialiseerde structuur die zich in bijna alle cellen van je lichaam bevindt. Het bevat het grootste deel van je genetische materiaal, DNA genaamd, dat fungeert als een reeks instructies die bepalen hoe cellen functioneren en zich gedragen. In de celkern is het DNA met eiwitten georganiseerd in een materiaal genaamd chromatine. Gebieden met chromatine clusteren vaak samen en vormen ronde structuren, nucleoli (enkelvoud: nucleolus). De celkern is omgeven door een dunne beschermende laag, het kernmembraan.
Pathologen onderzoeken de celkern door weefselmonsters onder een microscoop te bekijken. Voordat ze het bekijken, kleuren ze het weefsel met speciale kleurstoffen genaamd hematoxyline en eosine (H&E). Hematoxyline kleurt de celkern specifiek, waardoor deze een opvallende blauwe of paarse kleur krijgt. Met behulp van deze kleurstoffen kunnen pathologen de vorm, grootte en details van de celkern duidelijk zien. De celkern ziet er meestal rond of ovaal uit in gezonde cellen met gladde randen.
Wanneer pathologen cellen onder de microscoop onderzoeken, geeft het uiterlijk van de celkern belangrijke aanwijzingen over de gezondheid en activiteit van de cel. Zo vertonen zeer actieve of snelgroeiende cellen vaak een of meer prominente nucleoli in de celkern. Kankercellen zijn over het algemeen zeer actief, waardoor hun celkernen er meestal donkerder en groter uitzien dan normaal. Pathologen gebruiken de term hyperchromatisch om celkernen te beschrijven die donkerder lijken door verhoogde activiteit of abnormale groei.
Bovendien kan de vorm van de celkern aangeven of een cel gezond of abnormaal is. Gezonde, niet-kankercellen hebben doorgaans een ronde en gladde kern. Bij kankercellen ziet het kernmembraan er echter vaak onregelmatig uit, met opvallende plooien of bultjes. Pathologen noemen deze veranderingen kernmembraanonregelmatigheden, die veel voorkomen bij veel kankersoorten.
Bepaalde infecties, met name virale infecties, en blootstelling aan straling kunnen ook duidelijke veranderingen in de celkern veroorzaken. In deze situaties kan de celkern aanzienlijk groter worden of er ongebruikelijk uitzien. Wanneer virussen cellen infecteren, beschrijven pathologen de resulterende veranderingen in de celkern als een viraal cytopathogeen effect. Het herkennen van deze veranderingen helpt pathologen bij het identificeren van infecties en het nemen van de juiste behandelbeslissingen.